Hij had het zo mooi willen zeggen
De spraakkunst was zijn god.
Maar die was nooit in de geburen,
En kwam zeker nooit op zijn kot
Nu zit hij blind te staren
Naar het blad van onbekende jaren.
De slijpende echo
Van de invalide realiteit
Waait door de pannen van zijn hersenen.
Daar ligt ze
De lege huls van zijn kogelpen.
Er was zo veel te zeggen
Maar het leggen was er uit.