Maak Het Af

Fragment uit nieuwe, nog niet gepubliceerde roman ‘Maak Het Af’

Bij het ontbijt ontdek ik een ongewone energie.
Ik bel meteen de garage dat ze mijn auto moeten ophalen.
Ik hoor op de radio dat de files hun net over het land spannen, en ik denk: goed voor hen. Ik hoef vandaag niet mee te doen. Ik bel nog even de zaak dat ik wat later zal zijn, en trek dan naar het station. Ik ben er in jaren niet binnen geweest, en moet even tijd nemen om er mijn draai te vinden.
Een kaartje is duurder dan ik denk.

Ik ben dus ook de stank van de ochtendtrein vergeten. De magere zuurstof in de wagons vermengt er zich met de weeë ochtendluchten van de ontwakende lijven, doorsneden met de nijdige geuren van goedkope body lotions, plakkerige haarsprays en stekelige gels. Ik verdrink mij dan maar hardnekkig in de krant, zonder echt iets te lezen.
Een dik half uur later word ik door de trein uitgespuwd op een perron vol nukkige mensen. De snijdende wind drijft mij naar de bushalte waar ik lang moet wachten op een schokkend voertuig. Iemand bij de bussen heeft hier het probleem van de agressieve luchtjes bestreden met luidruchtige reinigingsmiddelen, wat de lucht er volkomen ongeschikt maakt voor menselijk gebruik.
Er blijft dus niet veel over van mijn ochtendlijk optimisme als ik het stukje loop van de busstop op de hoek, naar de ingang van Herven.

Eva kruist me net voor de trap, en gaat één trede voor mij naar boven, aan mijn linkerkant.
‘Mijnheer De Belder. Je ziet er een beetje minnetjes uit deze morgen. Toch niet ziek?’
‘Eigenlijk wel.’ antwoord ik zonder nadenken. Voor het gemak.
‘Ik weet niet wat het is, maar ik heb geen beetje fut. Ik denk dat ik de dringende zaken even doe, en dat ik dan naar huis ga.’
Ik kan mij moeilijk concentreren. Mijn ogen blijven krampachtig bij haar gezicht, maar kunnen het opwippende rokje niet ontwijken. Nog moeilijker is het om naast haar bloesje te kijken. Ze draait de hele tijd het bovenlichaam naar mij toe om het gesprek gaande te houden, en met beide handen drukt ze een dossier tegen haar buikje, waardoor het perzikgele bloesje bovenaan wat opent en mij een inkijk geeft op de bijna volledige linkerborst. Geen beha.
‘… groene thee met ginseng. Echt waar. Sofie zegt dat het voor haar altijd werkt.’
‘Eva, ik weet echt wel hoe ik een griepje moet aanpakken. Geloof me.’
‘Sorry, mijnheer De Belder. Jij zal dat natuurlijk wel weten. Ik wou alleen maar wat helpen.’
Dat vriendelijk onderdanige, dat zo veel weerstand in mij wakker maakt.
‘Zorg maar goed voor je zelf. Ik zou je niet willen missen’ zegt ze, en danst verder de gang in.

‘Zorg voor een briefje van de dokter, en blijf een paar dagen thuis.’
Wat denkt Sonja, dat ik niet weet dat je een ziekenbriefje nodig hebt? Hoeveel keer heb ik dat zelf aan mijn chauffeurs moeten uitleggen?
Ze behandelt mij koeler dan vroeger. Ik denk dat ze twijfelt aan mijn verhaal. Ze veronderstelt waarschijnlijk dat ik een soort wraak neem voor haar vertrek naar Frankrijk. Dat ik hiermee mijn teleurstellende houding wil onderstrepen.
Ze is mis, ik voel niets meer in haar nabijheid. Ik heb haar afgeschreven. Over en uit.
Nadat ze mij over haar leesbrilletje heeft aangekeken herstelt ze zich een beetje.
‘Verzorg je een beetje, Jeroen. Je ziet er vermoeid uit.’
Ik besluit haar niet te vertellen over de genadige dood van mijn autootje. Ze heeft er geen zaken mee. Ik blijf gewoon bij het valse griepverhaal dat Eva in mij heeft losgemaakt.
Ik heb nu blijkbaar zo de smoor in dat niemand er nog aan twijfelt dat ik echt ziek ben. Dat komt goed uit.
Ik wil hier weg.

Dat betekent: weer de bus en de trein op. Mijn gemoed staat onder nul als ik thuis het station buiten kom. En dan weet ik ineens niet meer waar naar toe. Mijn flatje lijkt geen attractieve mogelijkheid op dit moment, en ik keer dus op mijn stappen terug naar het stationsbuffet. Ik drink er van die bittere Italiaanse koffie die mijn maag doet schrikken, en lees nog maar eens een krant. Het enige nieuws van enig belang is de aankondiging van een treinstaking.

Die treinstaking werkt danig op mijn zenuwen. Jarenlang heb ik de lofzang van het openbaar vervoer moeten aanhoren en kreeg ik als autobestuurder enkel verwijten en schuldgevoelens naar de kop gegooid. En nu ik ze voor het eerst zelf eens nodig heb, gaan die smeerlappen staken.

Ik weet best dat ik snel naar een nieuwe auto zou moeten uitkijken, maar dat is een idee dat mij doet verstijven. Het is te vroeg, denk ik. Ik zal dat later wel oplossen.
Ik zit nog wat te prutsen met het kruiswoordraadsel, maar eigenlijk zit ik naar de mensen te kijken, en probeer stiekem naar hun gesprekken te luisteren. Deze doorgangsdrankgelegenheid zit propvol op klaarlichte dag.
Het graatmagere koppeltje dat glimmend gelukkig elkaars ogen zit te drinken en ondertussen de suikerarme cola’s laat verschralen. De vier wachtende collega’s die hun gebrek aan kwaliteit verbergen onder pinten en nog eens pinten. Ik vraag mij af of ze echt op een verbinding wachten, of ze gewoon het wachten zelf tot een kunst proberen verheffen.

Twee tafeltjes verder. Een man met een zwarte regenjas staart in een kopje thee, en praat met een vriendelijke lage stem tegen de uitgebluste kerel tegenover hem.
‘Heb je een rode maan gezien? En wat voor gevoel heeft dat bij je los geweekt?’ hoor ik.
Het lijkt een doorschijnend lichtroze zinnetje, ontsnapt aan een Zen musical. Maar dat is het niet, het is een eerlijke vraag van een geïnteresseerde doordeweekse man. Ik denk er lang over na. Wat voel je in godsnaam bij een rode maan? Je hebt soms van die absurde vragen die zich ongevraagd in je hoofd nestelen. Dit is er zo een.
Dat doet mij aan mijn moeder denken. Zij kon dit soort dingen haar oprechte volle aandacht geven, en ze dan glimlachend naast zich neerleggen en compleet vergeten.
Ik kan dat niet. Ik ben nooit goed geweest in afscheid nemen van gedachten.

Achter de toog speelt een beknopte transistorradio ‘Een klein beetje oorlog’. Tijd dus weer om te vertrekken.
Bij het uitgaan slaat de leegte mij weer in het gezicht, want Ik denk weer over mijn denken, en besef hoe moeilijk dat is.

Ik ga voor het eerst sinds mijn kinderjaren op een bank in het park zitten. Het park dat door mensen bijeen geplant is om de natuur te imiteren. Nee, om de natuur te overtreffen met orde en goed bedachte variatie. De perfecte plaats om je een vreemde te voelen tussen de groeisels van de moeder die onze natuur ooit geweest is. Tegelijk zit je er goed, want alle geluiden zijn er ver, en het ruikt er naar een eeuwigdurende toekomst. Het maakt mij murw. Ik zit er uren zonder iets te denken.
Het gebrek aan dynamiek, en de kitsch van de aangeplante natuur, zijn als het omarmende water van een warm bad.

Als ik thuis kom, staat mijn broer op het antwoordapparaat, en twee van mijn chauffeurs die vragen om hen eens te bellen ‘om te weten hoe het met je is’. Ze zijn door de jaren een beetje mijn rondrijdende familie geworden, dus bel ik de jongens. Wimke, een beer van een vent, zegt dat het de bureauziekte is. Hij zal mij eens meenemen naar de Limburg. Hij kent daar een vrouwtje die griep geneest met uitputtende seks. ‘Echt waar, Jeroen, ze stopt niet. De dag nadien kan je op je benen niet meer staan, maar alle vergif is weg uit je lichaam.’ Ik denk vaag: ik moet mijn chauffeurs dringend wat meer lichaamsbeweging bezorgen.
Mijn broer stel ik uit tot morgen.